HOOFDSTUK II

Voor vele feiten geeft de eenvoudige theorie een voldoende verklaring en schijnt de verfijning overbodig. Wij laten een voorbeeld volgen. Wij weten dat een magneet stukjes ijzer aantrekt. Waarom? In een stuk gewoon ijzer zijn de magnetische fluïda gemengd, zodat ze geen effect sorteren. Een positieve pool in de nabijheid van zulk een stuk ijzer brengen, betekent dat de fluïda zich gaan scheiden, omdat het negatieve fluïdum aangetrokken wordt en het positieve wordt afgestoten. Hierop volgt de aantrekking tussen het ijzer en de magneet. Als de magneet verwijderd wordt, gaan de fluïda min of meer volledig terug tot hun oorspronkelijke toestand. Over de kwantitatieve zijde van het probleem dient nog iets te worden opgemerkt. Met twee zeer lange gemagnetiseerde staven zouden wij de aantrekking (of afstoting) van twee dicht bij elkaar gebrachte polen kunnen bestuderen. De invloeden van de andere uiteinden van de staven zijn te verwaarlozen als de staven lang genoeg zijn. Hoe hangt nu de aantrekking of de afstoting samen, met de afstand tussen de polen? Uit de proeven van Coulomb is gebleken dat deze afhankelijkheid van de afstand dezelfde is als die in de gravitatiewet van Newton en in de wet van de elektrostatica van Coulomb.