HOOFDSTUK I

De bepaling van de soortelijke warmten van twee gelijke voorwerpen van dezelfde temperatuur bij het ene verkregen door wrijving en bij het andere door verwarming is een typisch voorbeeld van zulk een experiment. Deze proef is ongeveer honderdvijftig jaar geleden door Rumford uitgevoerd en betekende de genadestoot voor de stoftheorie van de warmte.

Een uittreksel uit Rumford's eigen verslag luidt als volgt:

"Het gebeurt herhaaldelijk dat tijdens de gewone zaken en beslommeringen van het leven, zich gelegenheden voordoen tot overpeinzingen over de merkwaardigste werkingen van de Natuur; zeer belangwekkende natuurfilosofische proefnemingen kunnen dikwijls gemaakt worden bijna zonder moeite of kosten, met behulp van werktuigen uitgevonden voor louter mechanische doeleinden van kunst en nijverheid.

Ik ben dikwijls in de gelegenheid geweest deze waarneming te doen en ben ervan overtuigd dat de gewoonte om de ogen gericht te houden op ieder ding, dat in de gewone gang van zaken zijn plaats heeft, vaker geleid heeft, als het ware toevallig of in de speelse uitstapjes van de verbeelding, tot vruchtbare twijfel en tot doordachte ontwerpen voor onderzoek en voor verbeteringen, dan alle ingespannen overpeinzingen van filosofen in de uren, waarin zij zich opzettelijk aan de studie wijdden.

Laatst, toen ik het toezicht had over het boren van kanonnen in de werkplaatsen van het militaire arsenaal in München, werd ik, getroffen door de zeer aanzienlijke graad van Warmte, die een bronzen kanon, als het geboord wordt, in korte tijd verkrijgt en door de nog heviger Warmte (veel groter dan die van kokend water, zoals ik bij onderzoek vond) van de metalen draaiseIs die er door de boor van verwijderd worden.

Van waar komt de Warmte, die tijdens de bovengenoemde mechanische bewerking geproduceerd wordt?

Het wordt geleverd door de metalen draaiseIs, die door de boor van de vaste metaalmassa afgescheiden worden.

Als dit het geval is, dan moet, volgens de nieuwe leer van de latente Warmte en van de warmtestof, de warmtecapaciteit niet alleen veranderd zijn, maar de door hen ondergane verandering moet voldoende groot zijn, om alle ontstane warmte te kunnen verantwoorden.

Maar zulk een verandering heeft niet plaats gehad, want ik vond door van deze draaiseis en van dunne reepjes van hetzelfde metaal met een fijne zaag verkregen, gelijke gewichtshoeveelheden te nemen en door deze bij gelijke temperatuur (die van kokend water) in gelijke hoeveelheden koud water (d.w.z. met een temperatuur van 59½ °F.) te brengen, dat de hoeveelheid water, waarin de draaiseis gebracht werden, klaarblijkelijk noch minder noch meer verwarmd was, dan de andere hoeveelheid, waarin de reepjes gebracht werden."