HOOFDSTUK I

Het volgende experiment verschaft ons inzicht in een ander belangrijk begrip: de soortelijke warmte. Wij nemen twee ketels, die respectievelijk een kilogram water en een kilogram kwik bevatten en verhitten beide op dezelfde wijze. Het kwik wordt dan veel sneller warm dan het water, zodat dus om de temperatuur één graad te doen stijgen voor het kwik veel minder warmte nodig is. In het algemeen zijn om de temperatuur van verschillende stoffen, zoals water, kwik, ijzer, koper, hout enz. met één graad (bv. van 20 tot 21 graden Celsius) te verhogen, verschillende hoeveelheden warmte nodig.

Wij zeggen, dat iedere stof haar eigen warmtecapaciteit of soortelijke warmte heeft.